vroeger en nu

Hektor De Bruyne

Bron: wikipedia

Hector August de Bruyne (Gouda, 1 maart 1917 - Antwerpen, 19 mei 1995) was een Belgisch Vlaamsgezind politicus voor de Volksunie.

Woonde op Sint Anneke.

 

 

 

 

 

 

 

 

Zitting van de Europese Eresenaat Antwerpen, Osterriethhuis februari 1971, vlnr. Hector De Bruyne, Guido Naets, Paul-Henri Spaak, Hendrik Brugmans

 

 

 

Voor de oorlog werd hij lid van het Dietsche Jeugdverbond. Tijdens de oorlog was hij redacteur buitenland bij het VNV-dagblad Volk en Staat. Hij werd in mei 1943 door de bezetter opgepakt na een kritische artikel "na 3 jaar oorlog", maar na twee weken terug vrijgelaten. Na de oorlog vluchtte hij naar Frankrijk en werd er geïnterneerd. Terug in België werd hij tot tien jaar hechtenis (in beroep teruggebracht tot zeven jaar) veroordeeld. Wegens ziekte werd hij in 1948 in vrijheid gesteld en behaalde hij aan de Universiteit Gent het licentiaat in de economische wetenschappen.

Hij werd vervolgens economisch en financieel journalist, onder meer bij De Standaard en de Gazet van Antwerpen. Begin 1971 werd hij algemeen directeur van de Financieel-Economische Tijd.

Hij werd ook politiek actief. Hij was medestichter van de Vlaamse Concentratie, en werd vervolgens lid van de Volksunie, waarvoor hij in 1971 lijsttrekker werd voor de Senaat in het arrondissement Antwerpen. Hij was senator van 1971 tot 1985. In de periode december 1971-oktober 1980 zetelde hij als gevolg van het toen bestaande dubbelmandaat ook in de Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap, die op 7 december 1971 werd geïnstalleerd. Vanaf 21 oktober 1980 tot oktober 1985 was hij lid van de Vlaamse Raad, de opvolger van de Cultuurraad en de voorloper van het huidige Vlaams Parlement.

In 1975 stelde hij zich kandidaat voor het voorzitterschap van de Volksunie, maar verloor van Hugo Schiltz. Van 1977 tot 1982 was hij gemeenteraadslid van Antwerpen.

In juni 1977 trad de Volksunie toe tot de regering van Leo Tindemans en werd de Bruyne minister van Buitenlandse handel. Hij bleef dit ook in de regering Paul Van den Boeynants tot april 1979.

Hij was medeoprichter en voorzitter van het Archief en Documentatiecentrum voor het Vlaams Nationalisme (ADVN).

Zijn broer, Arthur De Bruyne, was een bekend publicist van historische artikelen (vooral in 't Pallieterke) en boeken, meer bepaald gewijd aan de Tweede Wereldoorlog en aan de gevolgen van de collaboratie.

Hij was tevens de oom van zanger Kris De Bruyne en muzikant Koen De Bruyne (1950-1977).

Hector de Bruyne was de vader van diplomaat Jan De Bruyne. Als Belgische ambassadeur in Congo-Brazzaville was deze de eerste ambassadeur van toegegeven N-VA-signatuur. In december 2012 kwam hij in het nieuws doordat hij tijdens een ontvangst alleen Nederlands had gesproken. Ook de inhoud van zijn toespraak, waarin hij de plaatselijke machthebbers scherp bekritiseerde, zorgde voor problemen. De regering van Congo-Brazzaville was verbolgen over zijn verklaringen en stuurde een nota naar Buitenlandse Zaken, waarin gevraagd werd een einde te maken aan de ambassadeursfunctie van De Bruyne in hun land. Daarop werd hij naar België teruggeroepen en ter beschikking gesteld van de centrale administratie. Jan De Bruyne was eerder op post in Tokio, Beijing, Mumbai, (Kampala) en Yaoundé. 

 

Uit de memoires van leo Tindemans

Tot de verrassingen van het leven behoren de ontmoetingen met mannen of vrouwen die opduiken uit de nevel der jaren en die een blijvende knoop hebben gevormd in het eigen bestaan. Tijdens het academiejaar 1942-1943 bood zich in de eerste licentie Handels- en Consulaire Wetenschappen van de Sint-Ignatius Handelshogeschool een student aan die voor de oorlog zijn studies had onderbroken en die ze nu kwam proberen te voltooien. Hij heette Hektor de Bruyne. Al spoedig wist iedereen dat hij werkte op de redactie van het dagblad Volk en Staat, waar hij instond voor de rubriek Buitenland. Mijn scoutsvriend en studiegenoot Albert van Hove kende hem, want zij waren vroeger beiden op school geweest in het Klein Seminarie te Sint-Niklaas. De ene was van Zwijndrecht, de andere - iets ouder - van Kruibeke. Het feit dat ze beiden Waaslanders waren met heimwee naar de Schelde en sterk gericht op Antwerpen, had hen ook dichter bij elkaar gebracht.

De aanwezigheid van de nieuweling in de cursussen, bijvoorbeeld Diplomatieke Geschiedenis van de briljante Ed. de Schaepdrijver, evenals zijn artikelen in de belangrijkste krant van de ‘collaboratie’, gaf aanleiding tot enige spanning, vragen en commentaar. Onze afdeling was eerder klein. De studenten, een twintigtal, konden elkaar niet ontwijken en discussieerden doorgaans zeer vrijmoedig en krachtig. Dit was de charme van deze specialisatie, maar nu ook de oorzaak van een drukkende politieke sfeer. Langzamerhand trad hier enigszins verandering in. Na de publicatie van een artikel over 10 mei 1940 werd De Bruyne aangehouden door de Duitsers. In de hoop ergens hulp te vinden had de familie een beroep gedaan op ‘vrienden’ en ‘bekenden’, waaronder wij, de studenten, werden gerekend. Na zijn vrijlating bleef de auteur van het gewraakte stuk nochtans verder meewerken aan de krant, zij het weliswaar onder een andere naam.

Na de bevrijding, maar nog voor het einde van de oorlog, lieten Van Hove en ik ons inschrijven aan de Rijksuniversiteit te Gent en logeerden er in de Metdepenningenstraat. Groot was mijn verbazing toen op een avond Hektor de Bruyne er voor de deur stond, vermagerd, vervallen, ongeschoren, hongerig, een wrak. Hoe hij ons adres had gevonden heb ik nooit kunnen achterhalen. Langs mijn studiegenoot kon het ook niet zijn gebeurd, aangezien De Bruyne voortvluchtig was, gezocht door de politie. Hoe dan ook, het studentenleven in de naoorlogse periode was geen pretje. Voor zover mogelijk brachten we onze mondvoorraad mee van thuis. Onze kamer konden we niet verwarmen. De Bruyne verslond gretig wat ons nog aan eten overbleef en verdween even geheimzinnig als hij was gekomen.

Enkele tijd later stond in de krant dat hij was aangehouden en opgesloten in de gevangenis. Maanden later kwam het proces Volk en Staat voor, waarin ook het dossier-De Bruyne was opgenomen. Vanzelfsprekend was dit voor hem niet zo goed, aangezien hij nu als lid van de groep werd behandeld die de toon had aangegeven in de intellectuele collaboratie. Zijn broer Arthur, die later naam zou maken als biograaf van enkele Vlaamse figuren, deed nu een beroep op de vroegere medestudenten aan de Handelshogeschool om getuigen à décharge te zijn bij het komende proces. Als advocaat zou onze vroegere professor Pierre Brusseleers optreden. Bij de behandeling van de zaak op de rechtbank vroeg men ons of de beklaagde, bij ons weten, ooit iemand had verklikt. Of we ons misschien beperkt of bedreigd hadden gevoeld in onze politieke commentaren als studenten. Of de beklaagde zich schuldig had gemaakt aan propaganda. Hoewel de rechters kennelijk niet zo veel aandacht schonken aan onze verklaringen vielen alle getuigenissen voor De Bruyne positief uit. Alle medestudenten hadden aanvaard te komen getuigen, geen enkele had een woord gezegd dat het dossier zou hebben bezwaard. Het belette echter niet dat hij vrij zwaar werd veroordeeld, een vonnis dat trouwens overeenstemde met wat zijn advocaat had voorspeld.

Daarmee leek het geval De Bruyne uit mijn leven te zijn verdwenen. Maar enkele tijd later kwam Arthur de Bruyne aankloppen bij mijn ouderlijk huis te Burcht. Hij wilde me spreken en deelde mee dat de doodzieke Hektor, slachtoffer van een droge pleuritis, vanuit de gevangenis naar het ziekenhuis was overgebracht, waar voor zijn leven werd gevreesd. De zieke leed erg onder de eenzaamheid, de nabijheid van de dood, de bewaking van zijn ziekbed. Zou het mogelijk zijn hem met enkelen een laatste bezoek te brengen?

Ik zocht mijn vriend Albert op, want het was eigenlijk door hem dat ik de stervende had leren kennen. Samen gingen we naar het Elisabethgasthuis op ziekenbezoek, volgens de christelijke traditie een werk van barmhartigheid. De patiënt bood inderdaad een trieste aanblik. Ik gaf hem geen maand meer te leven. Eigenaardig genoeg herstelde hij zeer langzaam. Het duurde nog geruime tijd, maar ten slotte werd er beslist dat hij een herstelperiode bij zijn broer Jules in het Oudenaardse mocht doorbrengen.

Ik verloor De Bruyne uit het oog. Jaren later las ik in de krant dat hij in het Antwerps bestuur van de Volksunie was opgenomen. Om het verhaal kort te maken: hij werd verkozen tot senator. Toen in 1977 de Egmontregering werd gevormd, werd hij minister van Buitenlandse Handel. Na de regeringsvorming kwam hij naar mij toe voor een gesprek. Hij leek zeer oprecht wanneer hij uitweidde over de toekomst. Hij gaf als zijn diepe overtuiging te kennen dat een Vlaams-nationale partij geen bestaansreden meer zou hebben met de herstructurering van België. ‘Veel wordt nu mogelijk’, vertrouwde hij me toe. ‘Tussen onze partijen kan een convergentie en de uitbouw van een formatie tot de grote mogelijkheden behoren.’ Hij ging zover te beweren dat velen in zijn partij de christendemocratische opvattingen genegen waren en positief zouden reageren op een dergelijke ontwikkeling. Ik mocht me vooral niet laten afschrikken door de taal van Schiltz, noch door diens relaties met Cools of Outers. In het partijbestuur van de VU kon die op weinig of geen sympathie rekenen, maar als het tot een debat kwam ‘overdonderde’ hij de tegenstander met woordgeweld waartegen weinigen waren opgewassen. Voortaan zouden de kaarten wel eens anders kunnen liggen.

De Bruyne vroeg opnieuw om een vertrouwelijk gesprek toen in 1978 de militaire interventie in Kolwezi werd voorbereid. Hij benadrukte het antimilitarisme in Vlaanderen, de vooroorlogse tegenstand tegen het Frans-Belgisch militair akkoord en sprak de vrees uit dat een gezamenlijk optreden met het Franse Vreemdelingenlegioen de positie van zijn partij zou bemoeilijken. De taal en de houding van Simonet hadden hem doen schrikken. Ik kon hem ten slotte overreden zodat een eensgezinde regering achter de operatie stond. Na de gelukkige afloop van dat initiatief kwam hij me bedanken voor de wijze waarop de kwestie in de regering was behandeld: ‘niet lichtzinnig, niet overijld’. Hij was blijkbaar met het optreden verzoend.

De Egmontregering kwam ten val en mijn contacten met De Bruyne vielen weg. Maar in de lente van 1995 wist Albert van Hove me te melden dat hij bedlegerig en ten dode opgeschreven was. Hij verbleef op de Linkeroever te Antwerpen en had de wens uitgesproken me nog eens te ontmoeten. Weer ging ik met mijn oude vriend op ziekenbezoek, ditmaal naar een appartementsgebouw met uitzicht op de Schelde en de stad, uitgestrekt op de tegenovergestelde zijde van de stroom. We zaten in de ziekenkamer naast het bed - dat zijn doodsbed zou worden - met mevrouw De Bruyne, mijn reisgezel en ikzelf. Er heerste een atmosfeer van twijfel, met de vraag wat nog kon worden gered om de zieke zijn hoop niet te ontnemen en anderzijds de stijgende zorg om de onvermijdelijke werkelijkheid te beheersen. Het werd een tragisch, hoewel spannend gesprek. De bedlegerige legde ons met alle details uit welke therapie hij volgde om weldra volkomen te genezen. Voor ons was het echter duidelijk dat hij niet meer zou opstaan. Meer dan een gedachtewisseling kreeg het onderhoud naarmate de tijd vorderde het karakter van een belijdenis, soms zelfs van een biecht. Blijkbaar worstelde de zieke nog met zijn engagement in de oorlogsjaren.

Hoewel dat onderwerp angstvallig werd vermeden, begon hij er zelf over. Hij klaagde de lichtvaardigheid aan waarmee bepaalde mensen de politieke collaboratie met de bezetter hadden aanvaard en aangemoedigd. Hij begon namen te noemen. Hij had het vooral over Hendrik Elias, die ‘leider’ van het Vlaams Nationaal Verbond was geworden, een uniform had gedragen en daardoor de verantwoordelijkheid had gedragen anderen, vooral jongeren, mee te sleuren in het politieke avontuur. ‘En welk avontuur’, beklemtoonde De Bruyne. ‘Dat hebben we te laat beseft. Nooit heeft hij met ons over de Duitse politiek gesproken, nooit zagen we met welke soort mensen we te doen hadden. Zij en anderen hadden het alleen maar over Vlaanderen, nooit over een ideologie.’

De Bruyne weidde ook uit over een poging die tijdens de oorlog zou zijn ondernomen om van bepaalde kopstukken een publieke verklaring te krijgen waarmee aan de collaboratie een einde zou worden gemaakt. Volgens De Bruyne was er zelfs een tekst goedgekeurd, maar nooit bekendgemaakt. ‘Hij zou zonder twijfel represailles hebben uitgelokt’, zei hij. ‘Maar was het lijden van enkelen niet te verkiezen boven de terechtstellingen en de ellende van zoveel goedgelovige volgelingen? Bovendien zou zulke afwijzing de beschuldiging van morele medeplichtigheid in onnoemelijke feiten hebben bemoeilijkt.’ De zieke zocht onze ogen, hield af en toe enkele ogenblikken op met spreken, drukte het hoofd in het kussen achter hem. De spanning was haast tastbaar. Hier sprak iemand die ons de tragiek van zijn leven wilde laten aanvoelen, die naar woorden zocht die hem de gewetensrust konden teruggeven. ‘Er waren er die wisten welke gruweldaden er gebeurden, maar zij hebben ons nooit iets gezegd’, herhaalde hij.

Hektor de Bruyne overleed op 19 mei 1995. De begrafenisplechtigheid vond plaats op 27 mei in de Sint-Anna en Joachimkerk te Antwerpen-Linkeroever. De lijkrede werd gehouden door Hugo Schiltz. De levensbalans die hij bij die gelegenheid opmaakte klonk nogal gedwongen. Wat zou Hektor ervan hebben gedacht?