vroeger en nu

14-18

OP DE VLUCHT NAAR LINKEROEVER

De Standaard* - 02 Okt. 2014  Pagina 18

Om het belegerde Antwerpen van zuurstof te voorzien, heeft de Belgische genie verschillende pontbruggen over de Schelde gebouwd.

Als de belegering van Antwerpen aanvangt, zijn het er zelfs meteen vier. In geen tijd hebben de pontonniers van de Belgische genie noodbruggen gebouwd tussen Hoboken en Burcht, Hemiksem en Bazel, ter hoogte van Rupelmonde en - meest in het oog springend - in het hart van Antwerpen zelf, van het Steen tot het strand van Sint-Anneke op Linkeroever. Plus nog eens twee bruggen over de Rupel. Kwestie van het Nationaal Reduit van voldoende aanvoerroutes te voorzien.

Ter hoogte van het Steen vertrokken vroeger al de overzetboten naar het Waaslandstation, waar de treinen richting Gent en Oostende rijden. Maar die hebben lang niet genoeg capaciteit om troepen, materiaal en bevoorrading naar het belegerde Antwerpen te brengen. En dus ligt al het materiaal al voor de oorlog klaar in het fort Vlaams Hoofd op Linkeroever: het stalen brugdek, de houten planken voor de vloeren en voor de hellingen tussen brug en kade.

De bouw van de brug aan het Steen begint op 2 augustus, twee dagen voor de Duitse inval al. Omdat er ook 's nachts wordt doorgewerkt, is ze binnen de week klaar. Heel Antwerpen rukt uit om de laatste nieuwigheid te zien.

De pontonbrug van 390 meter drijft op 25 opgevorderde binnenschepen. Ze zijn verankerd zodat ze niet uiteendrijven door de sterke stroming die op die plaats tot negen kilometer per uur haalt, en om het getijdenverschil op te vangen worden de neuzen afwisselend stroomop- en stroomafwaarts gelegd. Er zijn ook twee portieren om passerende binnenschepen door te laten.

Van bij het begin is het dringen. De brug is smal, hooguit drie meter breed, en kan slechts in één richting gebruikt worden. Bij laagtij zijn de hellingen erg steil. Er gelden dan ook strenge regels: auto's moeten traag rijden en afstand houden, soldaten moeten uit cadans marcheren om het dreunen van hun stappen te verminderen, officieren te paard moeten zelfs afstijgen en de brug twee aan twee oversteken.

Motorbootpatrouilles op de Schelde houden de klok rond in de gaten of de Duitsers de brug niet met drijvende mijnen proberen op te blazen.

In principe hebben militairen op de brug voorrang op burgers. Dat veroorzaakt grote heibel bij de val van Antwerpen. Gendarmes moeten met de bajonet tussenkomen om het leger doorgang te geven tussen de horden vluchtende burgers. De brug over de Schelde toont nu zijn ware aard: die van vluchtroute. 'De toegang tot de pontonbrug leek op de monding van een riool waarlangs de ellende van een hele natie stroomde', getuigt een oorlogscorrespondent vanThe New York Times.

Niet alle vluchtende burgers en militairen zijn al op Linkeroever als de bruggen op 9 oktober worden vernietigd. Ze mogen in geen geval in handen van de Duitsers vallen. Petroleum en springstof volstaan niet. Heel wat verankerde binnenschepen moeten door kanonneerboten van het Belgische leger tot zinken worden gebracht.

De Duitse bezetter wil België ook administratief bezetten. Voortaan betalen Belgen met de Reichsmark.

Gilbert Roox

 

ANTWERPEN BOUWT BRUGGEN 
Samenstelling: Vredescentrum, Wetenschappelijk Comité Antwerpen ’14-’18 Historisch vooronderzoek door Geheugen Collectief Auteur: Stefaan Vermeulen

In 1914 ligt er enkel in Temse een vaste brug over de Schelde. In Antwerpen vertrekken van op de Suikerrui ook veerboten. Maar dat is niet voldoende voor een snelle ontruiming van de stad. Daarom worden er vier bruggen gebouwd over de Schelde: tussen het Steen en Sint-Anna, tussen Hoboken en Burcht, tussen Hemiksem en Bazel en in Rupelmonde. Er komen ook twee bruggen over de Rupel: aan het Tolhuis en aan het Hellegat. Al het materiaal is al voor de oorlog aangekocht en ligt opgeslagen in het Vlaams Hoofd: het metalen brugdek, de houten planken voor de vloeren en voor de hellingen tussen brug en kade. 

De brug aan het Steen is in een week klaar

De bouw van de brug start op 2 augustus 1914, twee dagen voor de Duitse inval. De eerste taak bestaat erin om al het opgeslagen materiaal van aan het Vlaams Hoofd naar de voet van de brug te vervoeren, ongeveer 400 meter verder. De pontonniers werken ononderbroken, van zes uur ’s morgens tot zes uur ’s avonds. Er is enkel een pauze voor een tweede maaltijd en het schillen van de aardappelen. Meestal wordt er ook ’s avonds en ’s nachts verder gewerkt. “Soms duurde het werk zonder onderbreking 15, 20, 24 [uur] en vaak nog langer, ongeacht de weersomstandigheden”, getuigt commandant Piérard. 

De brug drijft op 25 binnenschepen. De schepen worden verankerd zodat ze ter plaatse blijven en niet uit elkaar drijven door het tij of de stroming. Om het getijdeverschil op te vangen, worden de neuzen afwisselend stroomop- en stroomafwaarts gelegd. Op de schepen worden balken gemonteerd, en daarop het brugdek en de relingen. De hellingen tussen brug en kade overbruggen de tijverschillen.


 

 

 

 

 

 

De brug moet open kunnen voor de binnenscheepvaart op de Schelde. Aan het Vlaams Hoofd worden twee ‘portières’ of doorlaten van elk 42 meter breed gemaakt en telkens op twee boten gemonteerd. Om binnenschepen door te laten, worden die doorlaten tijdelijk weggevaren. 

Na zeven dagen is de brug klaar. Op 9 augustus komt een delegatie van militaire en burgerlijke hoogwaardigheidsbekleders de brug inspecteren, waaronder de burgemeester, generaal Dufour, de gouverneur en enkele buitenlandse consuls. Volgens Gazet van Antwerpen werd “het prachtige werk der pontonniers door allen bewonderd. Ook werd commandant Piérard die aan het hoofd staat van dit uitgelezen korps, hartelijk door generaal Dufour gelukgewenscht.” De pontonbrug wordt permanent gebruikt Kroniekschrijver Jozef Muls beschrijft in 1914 van dag tot dag het leven in de belegerde stad. Hij ziet onder andere hoe de troepen vertrekken. “Van de vlotbrug, aan den voet van het oude grijze Steen, vertrok een houten brug-op-schuiten naar den vlaamschen oever. Wij hadden er, den 5den September, aanzienlijke afdeelingen ruiterij zien overtrekken met een sleep van kanonnen, om Dendermonde op de Duitschers te heroveren en de verbindingslijn tusschen Antwerpen en de kust vrij te houden.” (Jozef Muls) 

Soldaat Odon Van Pevenage maakt deel uit van die troepen. Hij is erg onder de indruk. “Zo kwamen we aan de dijk waar wij het water over moesten. Nog nooit had ik zo’n breed water gezien. De brug waar we over moesten, was gemaakt van schepen met planken erop. Ze was gemaakt door de genie om het troepenverkeer te vergemakkelijken. Ik denk dat het water hier wel driehonderd meter breed was.

Het hoofdkwartier van de pontonniers is het fort Vlaams Hoofd op Linkeroever. Dit militair bolwerk was gelegen aan het huidige Frederik van Eedenplein. Rond dit fort vormde zich een levendige buurt met veel bedrijvigheid vooral in de vorm van horecazaken. Vanuit een eigen treinstation Vlaams Hoofd rijden al vanaf 1844 treinen naar Gent.

De Pontonbrug als aanvoerlijn

De bruggen over de Schelde moeten vlotte troepenbewegingen mogelijk maken en het transport van materiaal en bevoorrading tussen de twee oevers. De bouw gebeurt door speciaal daartoe opgeleide pontonniers van het Belgisch leger. Het zijn genietroepen met een gevechtsopleiding. Ze staan in voor de bouw van de bruggen, het onderhoud en de herstellingen, de bewaking, het openen en sluiten van de bruggen, het onderhoud van de spoorwegbrug in Temse en enkele schepen om de Schelde over te steken, de bewaking van de Schelde en de eventuele vernietiging van de bruggen.

De militaire controle van de brug en de Schelde

De pontonbrug wordt scherp bewaakt. Het leger is op zijn hoede voor sabotage en wil ook controleren wie de stad in- en uitgaat. 

• De technische wacht (2 sergeants, 2 korporaals en 35 à 40 soldaten) zorgt voor het goed functioneren van de brug en voor het onderhoud. 

• De militaire wacht bewaakt de toegangen tot de brug en loopt wachtdiensten. De brug aan het Steen wordt bewaakt door eenheden van de infanterie, de andere bruggen door de pontonniers zelf. 

• De rivierwacht ligt stroomopwaarts en -afwaarts voor anker met twee boten. Overdag hijsen ze de vlag, ’s nachts lantaarns. Deze wacht houdt stroomopwaarts ook toezicht met een motorbootje en stroomafwaarts met een sleepboot. 

• Er wordt permanent patrouille gelopen langs de oevers. 

• Om te voorkomen dat de bruggen met drijvende mijnen worden opgeblazen door de Duitsers, inspecteren bewapende motorbootjes permanent de Schelde. Aan elke brug staan ook twee pompwagens van de brandweer om te kunnen blussen in geval van brand. 

De brug is smal, de hellingen steil

De smalle brug kan slechts in één richting gebruikt worden. De brug is drie meter breed, heeft een rijbaan van 1,80 meter, en daarnaast een pad voor voetgangers. Om te bepalen welke rijrichting open mag, hebben de brugwachters telefonisch contact met elkaar. De overtocht van de brug is onderworpen aan strenge regels. 

• Te zwaar geladen voertuigen moeten eerst worden afgeladen. De lading wordt dan verdeeld of moet op de kade achterblijven. 

• Sommige voertuigen zijn te breed en kunnen niet oversteken. 

• Soldaten te voet moeten uit cadans lopen om het dreunen van hun stappen te minderen. 

• Soldaten en officieren te paard moeten afstijgen en de brug twee aan twee oversteken. 

• Artilleriestukken moeten stapvoets worden gerold. 

• Auto’s moeten traag rijden en voldoende afstand houden. 

• Militairen krijgen voorrang, maar ook burgers kunnen de brug gebruiken.

De hellingsgraad van de op- en afrit van de brug hangt af van het tij en van het verkeer op de brug. Bij laagtij liggen de boten waar de brug op steunt lager, waardoor de brughellingen steiler worden. Bij druk verkeer ligt de brug door dat extra gewicht nog lager. Paarden hebben het dan moeilijk om de oever te bereiken. De hellingen lijden onder te zware voertuigen en moeten regelmatig hersteld worden. De brug wordt ’s nachts verlicht met elektrische lantaarns. De bekabeling gebeurt door een burgerbedrijf. Na de eerste zeppelin bombardementen moet de stad echter volledig verduisterd worden. Ook de lantaarns op de 

pontonbrug worden gedoofd of verduisterd.

De strategische terugtocht van het veldleger

Op 6 oktober geeft koning Albert het veldleger het bevel zich terug te trekken naar de andere kant van de Schelde. Dat gebeurt ’s nachts, om te vermijden dat de Duitsers de terugtrekking opmerken. Jozef Muls schrijft: “Toen kwam een ander groot lawaai aanstuwen uit den nacht. Ik bleef staan en luisterde aandachtig naar die vreemde gonzing van de lucht. Het werd ontzettend. Het was een benauwelijk gejoel als door doolhoven. Dan vernam ik duidelijk het gedreun van honderden en honderden paardenhoeven.” Muls ziet aan het Centraal Station een stoet van “donkere ruiters” die de stad intrekken en met “rammelende kanonnen en caissons door de dreunende straten reden.” Hij volgt de stoet richting Schelde en in het zwakke schijnsel van de maan ziet hij “de donkere, nare vlucht, kleintjes voortschuiven naar den Vlaamschen oever, over de lange houten brug waarvan de balken schokten.” Terug thuis hoort hij de hele nacht hoe de wegtrekkende kanonnen door de stad rollen. Op 7 oktober ziet hij hoe de auto van koning Albert de stad verlaat via de pontonbrug aan het Steen. 

Ook de bevolking vlucht 

De dreiging van Duitse bombardementen hangt over de stad. De soldaten zijn verslagen, vermoeid en bang. Overal heerst angst en meer dan honderdduizend burgers proberen te vluchten. De massa vormt “een teugelloze menigte, die ter plaatse golfde, als een oogst in de storm, en haar gramschap uitschreeuwde, klaagde en verwensingen toestuurde.” De wegen naar de kaaien zitten volledig geblokkeerd, mensen moeten uren aanschuiven. De zee van mensen en rijtuigen

 belemmert het leger vaak de weg.

Toch probeert men de uittocht strak te organiseren. De burgers moeten wachten tot de soldaten de brug over zijn. Een Britse krant bericht hoe gendarmes, gewapend met bajonetten, de drummende menigte uren lang op afstand houdt om het leger de doorgang te verzekeren. Wanneer de brug echter overrompeld wordt door mensen in paniek, kunnen de bewakers de toestroom niet onder controle houden. 

De aftocht verloopt chaotisch 

Vluchtende mensen zitten uren vast zonder voor of achteruit te kunnen. Ze hebben hun beste kleren aangetrokken – wie weet waar komen ze tijdens hun vlucht misschien terecht? Inderhaast hebben ze wat spullen bij elkaar gezocht en sleuren die mee in kruiwagens, kinderwagens of karren vol huisraad die getrokken worden door ossen en ezels. Er is paniek, met geschreeuw van mensen, huilende baby’s, blaffende honden, koeien die loeien. Auto’s, ziekenwagens en bussen rijden zich vast in de massa. De veerdienst naar Sint-Anna kan om het kwartier 200 mensen overzetten.

Aantal vluchtelingen

Vele tienduizenden mensen ontvluchten de brandende stad langs de pontonbrug. De kranten berichten uiteenlopend over het exacte aantal vluchtelingen, dat in alle chaos moeilijk in te schatten is. The New York Times schrijft: “Besides the long exodus by the roads to Holland I saw a crowd estimated 150.000 blocking the ferry and pontoon (at Antwerp) on their way to get trains to St. Nicholas and Ghent.” De krant Le Bruxellois spreekt van 200.000 vluchtelingen, andere kranten zelfs van 500.000. Er vluchten alleszins meer dan honderdduizend burgers over de bruggen of met schepen naar de Linkeroever, richting Gent, Brugge, de kust en Zeeuws-Vlaanderen. Ze gaan meestal te voet. Het spoor aan het Vlaams Hoofd mag enkel voor militaire doeleinden worden gebruikt. Veel vluchtelingen gaan ook te voet of per trein naar Nederland. Soldaten die hun eenheid zijn kwijtgeraakt en naar het neutrale Nederland trekken, worden daar geïnterneerd, zoals het internationaal krijgsrecht voorschrijft.

De brandende petroleumtanks vormen een apocalyptisch schouwspel, met vlammen, “zeker honderd voet hoog.” De wachtenden op de kaaien klagen bijna te stikken “in de zware, met petroleum beladen lucht.” (Dirk Van Thuyne)

 

“Een oude dokwerker uit het schipperskwartier vertelde mij van de vlucht die hij gezien had langs de Schelde. Trekschuiten, mosselbakken, slepers, roeibooten, zeilschepen, al wat maar varen kon werd gebruikt, om de verschrikking der beschoten en brandende stad te ontkomen. De menschen sprongen van op de hooge kaaimuren in de tot-zinkens-toe volgeladen vaartuigen. Het was een wemeling van zwarte booten op de vlakte van den breeden stroom in den rooden gloed der petroleum-tanks die brandden in de richting van Hoboken.” (Jozef Muls)

 

Over de pontonbrug trekt een niet afhoudende mensenmassa en een colonne voertuigen naar Linkeroever. Het laagtij en het gewicht van de massa zorgen er op een bepaald moment voor dat hellingen aan de kade zo schuin liggen dat soldaten, burgers en zelfs een kinderwagen in de rivier belanden. Journalisten uit binnen- en buiten berichten over de chaos op en rond de brug. Een journalist van de New York Times schrijft: “The twenty-foot entrance to that pontoon bridge seemed to me like the mouth of a funnel through which poured the dense misery of an entire nation.”

Technische fiche Pontonbrug 

Bron: Tekst: Mireille Schaekers, Heemkundige Kring Zwijndrecht 

Net voor de Groote Oorlog (1914-1918) lagen op fort Vlaams Hoofd II de 4e, 5e en 6e batterijen van de Kustartillerie.  Dit waren reservebatterijen.  Er lag ook een regiment Genie van de Vestingsgenie (in actieve dienst).  Allen behoorden tot de 2e legerdivisie met zetel te Antwerpen.  Het was in die jaren al in een minder goede staat en werd enkel als kazerne gebruikt.  Als fort werd het gedeklasseerd in 1888 en vanaf toen was het dus enkel een kazerne. De 1e compagnie pontonniers onder leiding van kapitein Virgile Piérard was hier thuis.  De pontonniers hadden als opdracht semipermanente bruggen over Schelde en Rupel op- en af te breken en te onderhouden en herstellen.  Zij stonden ook in voor het opwerpen van barrages in de Schelde, de beveiliging van de stroom, het voorzien van andere manieren dan via bruggen om de rivier te kruisen maar ook allerhande losse werkzaamheden die hen opgedragen werden.  Ten tijde van de bouw van de pontonbruggen over de Schelde (augustus 1914) lag voor hen al een groot deel van het nodige materiaal klaar in de kazerne.  Tijdens het bombardement op Antwerpen (7-8.10.1914) zou er ook een bom op gebouwen van de kazerne gevallen zijn.
Van de militairen uit onze gemeente zaten er al zeker 16 bij de pontonniers.  Tien onder hen zouden geïnterneerd worden te Harderwijk, 6 anderen overleden tijdens de Groote Oorlog.  Virgile Piérard zelf zou ook de grens met Nederland oversteken en geïnterneerd worden op Urk (toen nog een eiland in de Zuiderzee).

Het fort lag ook net naast het treinstation “Pays de Waes” en niet ver van de kerk en het Plein.  Op dit Plein ging elk jaar rond 26 juli (de feestdag voor Sint Anna) de processie uit én was het kermis.  Elk jaar moest de gemeente Zwijndrecht rond deze tijd extra hulp-agenten naar Vlaams Hoofd sturen vanwege de vele ongeregeldheden die er zich voordeden tussen beschonken militairen en niet-militairen. (Tekst: Mireille Schaekers, Heemkundige Kring Zwijndrecht)

Zeppelin boven Sint Anneke

Duitse officier

 

Antwerpen op 9 okt  in bezit genomen door de Duitsers

Bewaarschool, uitdeling van oorlogsrantsoen.

Café De Croone 14 November 1918: de eerste Belgische soldaten op het Vlaams Hoofd

Graf van twee Belgische soldaten op de dijk van Vlaams Hoofd

Transport van Duitse troepen over de Schelde

Duitse colonne met bagage op de pont van Sint Anneke 

Beschieting van Antwerpen van op Sint Anneke  door de Duitsers

Inschepen op de kade van Sint Anneke

Duitse soldaten schepen in op de kade van Sint Anneke