vroeger en nu

De benedenloop van de Schelde evolueerde van zuiver regenregime naar volkomen getijregime

De Schelde evolueerde in haar benedenloop sinds een paar duizend jaar van een rivier met zuiver fluviaal karakter (‘regenrivier’), naar een tijrivier met uitgesproken mariene kenmerken.

In een tijdspanne van enkele eeuwen onderging de rivier merkwaardige veranderingen, zowel wat de afmetingen,als wat de loop en het afvoerregime betreft. In de loop van de voorbije eeuwen verlegde de rvieruitmonding zich van de Maas via de Oosterschelde naar de Honte of Westerschelde, waarin ze tegenwoordig nog uitsluitend afwatert.

Schematisch kan men hierbij drie perioden onderscheiden:

  • een zuiver fluviale periode met seizoensgebonden afvoer in een bedding van bescheiden afmetingentijdens de zomer (zomerbed), en met grotere afvoerin een veel bredere bedding tijdens de winter,(winterbed). Deze periode eindigt te Antwerpen rond de 5de-6de eeuw.
  •  een overgangsperiode naar tijregime, tussen de 6de en de 10de eeuw, waarbij het gemiddelde waterpeil steeg, het getij geleidelijk aan steeds verder en krachtiger in de rivier binnendrong en de groterestroomsnelheden de rivierbodem bestendigerodeerden.
  • de periode van uitgesproken tijregime vanaf de 10de eeuw, waarbij het getij steeds meer de bovenhandkreeg, de hoogwaterstanden verhoogden en de tijstromingen de rivierbedding steeds meer verruimden.

 

 

Neolithicum 

(bron:  I. Coen De eeuwige Schelde? Ontstaan en ontwikkeling van de Schelde)

Type dwarsprofielen over de Schelde te Antwerpen.

De enorme verruiming van de bedding van de rivier komt hier totuiting. De gekozen schalen geven een zeer vertekend beeld van de werkelijke breedte/diepte verhoudingen (100 m/4 m).

 

Het dwarsprofiel toont een smal zomerbed en veel breder winterbed. De gemiddelde diepten bedroegen zowat 4 meter. In het midden van de rivier was het wat dieper, een 5 tot 6 meter. Deze diepten komen overeen met de diepten van de Schijns en andere waterlopen die in de Schelde uitmondden in die tijd en die door Hasse werden onderzocht. Voor de Schelde in de omgeving van Temse vinden we op analoge wijze een type dwarsprofiel van zowat 220 m2 voor gemiddelde debieten van 65 m3/s en gemiddelde stroomsnelheden van 0,30 m/s met gemiddelde breedtes van ± 85 m en gemiddelde diepten van ± 2,50 m, in overeenstemming met het huidige profiel van de Oude Schelde in Weert.

De Schelde vertoonde toen in de omgeving van Antwerpen een veel meer uitgesproken kronkelend verloop dan tegenwoordig.

Waar de zomerbedding gelegen was ter hoogte van Antwerpen is niet meer met zekerheid vast te stellen, maar dat de Schelde een volledig ander stromingspatroon vertoonde mag men gerust aannemen, waarbij het opsplitsen in twee of meer armen evenmin mag uitgesloten worden.

 Een neolithische Scheldearm (of meer armen) vloeide misschien onder de ‘hogere’ oevers van Zwijndrecht door, zoals Haenecour meende, maar door P. Kiden (zie Warmenbol), niet wordt bevestigd.De benaming Zwijndrecht wijst erop dat men daar de rivier(-armen) kon oversteken. Misschien lag er voor Antwerpen in die tijd ook slechts een zeer bescheiden rivierarm die alleen bij het sterker doordringen van het getij in de rivier tot de enige grote stroomgeul is Uitgegroeid.

Het verleggen van een rivierarm in dergelijke omstandigheden is niet ongewoon. Er is een ander algemeen bekend voorbeeld aan te wijzen meer naar opwaarts toe, waar in de 13de eeuw de Scheldewateren de oude arm te Weert verlaten hebben ten voordele van het afwaartse gedeelte van de Durme. Te Antwerpen groeiden in de 5de-6de eeuw misschien de oude afwaartse beddingen van de Schijnsriviertjes en een rivierarm voor Antwerpen, uit tot hoofdarm, ten nadele van de geul voor Zwijndrecht, die geleidelijk dichtslibde.

 

Mogelijke situatie van de ‘Neolithische Schelde’ in de omgeving van Antwerpen

Mogelijke situatie van de ‘Neolithische Schelde’ in de omgeving van Antwerpen (variante).

De Romeinse tijd en de vroege Middeleeuwen

 

Tracé van de Schelde in de omgeving vanAntwerpen in de Romeinse tijd.

Tracé van de Schelde in de omgeving vanAntwerpen in de Romeinse tijd (variante).

Het onderzoek van de polderbodem in de omgeving van Antwerpen en op- en afwaarts bevestigt ook de historische overlevering dat uitgebreide moerassen (veen) de rivier omzoomden in de pre-Romeinse enRomeinse tijd. Later werd het veen met rivierklei overdekt. Talrijke kreken en geulen doorsneden het

landschap in de 11de eeuw en zorgden voor de afwatering naar de Schelde in de tijd dat het getij al totAntwerpen doordrong. De rivierarm langs Zwijndrecht is na de 5de–6de eeuw dichtgeslibd. In de 20ste eeuw verdween de polder en de dichtgeslibde rivier onder meters Scheldezand.

Het getijregime

Voor de periode van getijregime zijn de voornaamste rivierkenmerken de hoog- en laagwaterstanden welke zich tweemaal per dag voordoen, met veertiendaagse variaties van springtij over gemiddeld tij naar doodtij.

Onder de bijzondere omstandigheden van storm op de Noordzee kunnen de waterstanden zeer hoge peilen bereiken. De bovendebieten van de rivier doen zich enkel nog in het meer naar opwaarts gelegen riviergedeelte opde waterstanden gelden. Meer naar afwaarts toe worden de waterstanden bijna volledig door het getij bepaald.

 

Mogelijk tracé van de Schelde in de omgeving vanAntwerpen in de 9de eeuw.