vroeger en nu

Urbanisatie 

Rond 1900

Rond de eeuwwisseling won de gedachte veld om de linker Schelde-oever tot woongebied om te vormen. Het project van de Luikse industrieel Alphonse Müllender uit 1894 bijvoorbeeld voorzag 350 villa’s, genre des cottages anglais, en zelfs de overbrenging van de dierentuin. In 1906 werd een wet aangenomen die de onteigening van de Borgerweertpolder regelde. Meteen lag het principe van stadsuitbreiding op de linker Schelde-oever vast. Verschillende projecten werden gepubliceerd, alle in de stijl van Hausmann: brede boulevards werden geschikt volgens perspectivistische criteria in stervormige structuren. Pas in de daaropvolgende jaren begon de idee door te breken dat de linker Scheldeoever uitsluitend een residentiële functie moest krijgen. Omdat de kernstad, met haar explosief groeiende bevolking uit haar voegen barstte, zocht ze dringend naar nieuwe terreinen om haar inwoners te huisvesten. In de periode 1860-1915 verdubbelde ze haar oppervlakte door uitbreidingen buiten de muren. Het aantal inwoners verdrievoudigde. Door de oorlog viel vanaf 1914 de plannenmachine wat stil. Concrete realisaties waren totnogtoe, bij gebrek aan goedkeuring door de overheid, uitgebleven. De enige verwezenlijking in meer dan een eeuw plannen maken, was een relict uit het allereerste aanlegplan: de stervormige verdedigingsgracht van de geplande Ville Marie Louise.

De ontwerpwedstrijd voor de aanleg van Antwerpen-Linkeroever

‘Vaste punten’ als enige rem op de creativiteit van de deelnemers

 

Op 2 augustus 1932 keurde de Raad van Beheer van Imalso het programma voor de internationale wedstrijd voor de aanleg van Antwerpen-Linkeroever goed. De wedstrijd kon rekenen op een massale belangstelling, liefst 97(!) ontwerpen bereikten de jury op tijd. Het was een echte internationale wedstrijd met heel diverse ontwerpen uit heel Europa. Ze had ook plaats op een moment van architectonische overgang. Terwijl de vroegere ontwerpen zich nog vooral baseerden op een doorgedreven geometrisch stratenplan in de stijl van Hausmann, lieten vele inzendingen zich nu inspireren door het vernieuwende modernisme.

 

Hoe zou de nieuwe stad er dan uit komen te zien? Enkele beperkingen werden al van meet af aan geformuleerd. De horizontale lijn van het polderland mocht niet op ruwe wijze worden doorbroken en het prachtige panorama van op de rechteroever over de weidse polders moest zoveel mogelijk gevrijwaard blijven. Deze twee beperkingen legden een serieuze hypotheek op monumentale ontwerpen uit het verleden, zoals dat van Henri Van de Velde. Het ontwerp van deze laatste, werd enkele jaren na zijn publicatie afgedaan als grootheidswaanzin. Zelfs Henri Van de Velde zelf erkende dat hij zich had vergaloppeerd. Bovendien moest ook het zicht op de ‘Austruweelbocht’ (stroomafwaarts) gevrijwaard blijven. De gehele oeverstrook moest haar groen karakter behouden en rond de ‘Welen’ zou een groot park worden aangelegd. Omgekeerd moest het uitzicht op de rechteroever ten volle worden benut, zodat het Steen en de kathedraal van ver zichtbaar bleven. Ten slotte diende uiteraard de locatie van de pas aangelegde tunnels behouden, evenals de geprojecteerde ontsluitende toegangswegen. Dat waren de enige ‘vaste punten’. De deelnemers moesten ten slotte ook rekening houden met de geplande wijziging van de loop van de Schelde.

Verscheidene belangrijke vragen bleven echter onbeantwoord. J. Van de Voort, een kunstcriticus uit Antwerpen, formuleerde het zo:

 

“ Vreemd was het feit dat er om zoo te zeggen niets werd vastgelegd aan bepaalde eischen waaraan de ontwerpen hadden te voldoen: geen gegevens over handel, verkeer, woningtoestanden, bevolkingsaangroei of wisseling, niets omtrent de voorziene bevolking voor de nieuwe terreinen, niets omtrent zoo vele vragen die vast moeten liggen, diep en langdurig moeten bestudeerd worden, eer van stedeuitbreiding, vooral van stichting van zulk een stadsdeel, eene nieuwe stad, als hier ogenschijnlijk bedoeld werd, sprake kan zijn noch in feite, noch zelfs in ruwste schets”.

 

Dit citaat toont duidelijk de onzekerheid over de toekomst van Linkeroever aan. De ontwerpers kregen als het ware ‘carte blanche’. Bovendien stond binnen het stadsbestuur burgemeester Frans Van Cauwelaert een snelle ontwikkeling voor, maar in welke richting die diende te evolueren kon niemand zeggen. Bovendien stond de economische crisis een grootschalige uitvoering van één van de plannen voorlopig in de weg.

 

De 5-koppige wedstrijdjury bestond uit enkele bekende ontwerpers waaronder Henri van de Velde en Paul De Heem. Michel de Braey, de toenmalige voorzitter van de KMBA, vervulde de rol van secretaris.

Dromen en plannen

 

Nu de beslissing was genomen om de linker Scheldeoever te bebouwen, kwam de vraag naar de concrete invulling hiervan op tafel. Eerst en vooral moest men het karakter van Linkeroever vastleggen: kwam de nadruk op industrie, op wonen of op natuur en recreatie te liggen? Of werd het een evenredige mengeling van deze functies? Wat was het gewenste bewonersaantal, en op hoeveel jaren wenste men het streefdoel te realiseren? Geen enkele van deze essentiële vragen werd beantwoord in het wedstrijdreglement.

 

In het verleden wisselde het gewenste karakter van het gebied al eens doorheen de tijd, maar wel met één constante rode draad: de behoeften (en glorie) van de stad Antwerpen (de rechteroever) zelf. Van een militair buffergebied tot in de 19de eeuw evolueerden de wensen van het stadsbestuur geleidelijk naar een industriële Linkeroever. Ze leek korte tijd de ideale uitbreidingsplaats voor de groeiende haven, maar de idee om het gebied een hoofdzakelijk residentieel karakter te geven werd nog niet opgegeven. En hoe zat het dan met de traditie, namelijk het bestaande karakter van St.-Anneke als ontspanningsoord voor de Antwerpenaar? Verschillende plannen zagen de linker Scheldeoever als de gedroomde locatie voor de zo nodige havenuitbreiding. Het meest radicale plan voorzag zelfs in een verlegging van de loop van de Schelde, dwars door de Borgerweertpolder, naar analogie van de plannen rond 1900 voor ‘de Grooten Doorsteek’ op de rechteroever. Later stapte men van dat plan af en in plaats van de loop van de Schelde te verleggen legde men op diezelfde terreinen havendokken en sluizen aan. De visie van Linkeroever als havenuitbreidingsgebied veranderde eind jaren 1920 omwille van de aanhechting van de 2500 ha grote ‘Noorderpolders’. Reeds in 1911 lag het plan, uitgewerkt in opdracht van het Antwerpse stadsbestuur, klaar om op deze plaats havendokken te graven. Nu de hoognodige havenuitbreiding elders werd gepland won de idee van Linkeroever als woonstad weer veld. Imalso zag ook liever een overheersende woonfunctie en wees eveneens op de in 1929 aangehechte ’Noorderterreinen’ op de rechteroever:

 

“Hier, en niet op de linker-Schelde-oever zal de haven zich verder ontwikkelen”.

 

De uitbreiding van de haven op haar terreinen zinde Imalso niet, maar huisvesting van de havenarbeiders klonk haar daarentegen wel als muziek in de oren. Ze voorspelde:

 

“ (…) ofschoon de uitbreiding van de bestaande kernen eenige centra van arbeiderswoningen kan in het leven roepen, is het toch toegelaten te veronderstellen dat een deel der industrie en aan de haveninstellingen te werk gestelde bevolking een rustiger en meer verzorgd centrum zou vinden op de terreinen der IMALSO”.

 

In het officieel wedstrijdreglement werd niet vastgelegd dat de woonfunctie de primaire invulling van het gebied moest zijn. Wel werd er gewezen op de gunstige ligging van de gronden en de voordelen die dat meebracht voor eventuele bewoning. De officiële motivatie hiervoor was dat het gebied veel dichter bij de stad lag dan de andere woonuitbreidingsgebieden op de rechteroever. Linkeroever kon dus de vele pendelende arbeiders een woning bieden die veel dichter bij hun werk zou liggen. Officieus zal zeker de waarde van de grond ook hebben meegespeeld. Imalso wou immers haar gronden zo duur mogelijk verkopen. Het lag voor de hand dat een gefragmenteerde verkoop van hoofdzakelijk bouwgronden meer zou opbrengen dan enkele verkopen van grote percelen bestemd voor zware industrie en haveninstallaties.

 

Nu Linkeroever vooral als woonstad werd gezien wierpen nieuwe vragen zich op. Geen enkele richtlijn was opgegeven in verband met het gewenste bevolkingscijfer. De ingezonden ontwerpen varieerden enorm op dit vlak. Er was het megalomane project om een stad (linker- én rechteroever) te creëren van 2,5 miljoen inwoners, waarvan Antwerpen-West er 600.000 zou herbergen. De redacteur van het maandblad Nijverheid en Techniek, Ferdinand de Jaeghere, waarschuwde voor deze misplaatste megalomanie:

 

“Het voorbeeld van het naoorlogse Wenen, een waterhoofd op een Liliputstaat lichaam, zou als afschrikwekkend voorbeeld kunnen dienen”.

 

Algemeen werd wel aanvaard dat 250.000 inwoners het absolute maximum voor de nieuwe stad was. De meeste andere ontwerpen schommelden tussen de 100.000 en de 250.000 inwoners. In één beweging een stad bouwen voor minimum 100.000 inwoners leek veeleer grootheidswaanzin dan aan een effectieve behoefte tegemoet te komen. Imalso zag dit ook in:

 

“Moet men uitbreidingsontwerpen naar een dergelijke maatstaf opvatten? Wij denken het niet; niet omdat we zulks voor onwaarschijnlijk of onmogelijk achten maar wel omdat we het voor ongewenscht houden. Een stadsagglomeratie van dergelijk belang zou niet meer in harmonie zijn met de structuur van België, het evenwicht zou verbroken zijn. Men kan dan, na rijp beraad, de gewenschte grens van de stad aangeven en zeggen dat boven deze grens (…) een gevaar wordt voor het nationaal evenwicht en bovendien noch meerder comfort, noch welzijn, noch voorspoed aan zijne inwoners verzekert”.

 

Deze afsluitende stelling gaf indirect ook aan waar het met de Linkeroever in grote lijnen naartoe moest: een verzameling van modelwoningen voor alle sociale klassen die, in tegenstelling tot de overbevolkte binnenstad, ruimte en hygiënische leefomstandigheden zou bieden aan zijn inwoners. We laten Imalso even haar betoog beëindigen:

 

“Laten wij voor een land met 8.000.000 inwoners het maximum maximorum der inwoners voor een stadscentrum op 1.000.000 stellen”.

 

Dit hield in dat er nog ruimte was voor maximum een half miljoen extra Antwerpenaren (boven op de toenmalige 500.000 inwoners op de rechteroever), waarvan er een 100.000-tal de Imalsogronden zouden kunnen bevolken. Uiteraard hing dit cijfer sterk af van de gewenste ruimtebezetting.

 

Wie zou er op de nieuwe gronden komen wonen? Het eerste opzet was de droom van een nieuwe stad, waar de sociale klassen in harmonie met elkaar zouden samenleven. In 1930 was de verhouding tussen de inwoners volgens beroep in Antwerpen ruwweg de volgende: 35% tewerkgesteld in de industrie, 34% in de handel en 12% ambtenaren en vrije beroepen. In de toekomst zag men de secundaire sector met tien procent groeien, ten koste van de werklozen, ambtenaren en vrije beroepen. Linkeroever zou dus vooral uit arbeiderswoningen moeten bestaan. Men becijferde ook dat ¼ van te bouwen woningen voor de gegoede burgerij bestemd zou zijn (luxewijken). Het overgrote deel zou dus ingenomen worden door werklui, handswerklui, bedienden en bescheiden burgers. Voordien had Imalso al gesteld dat het bij voorkeur een bevolking van havenarbeiders haar terreinen zag bewonen. Ze wou aan deze nieuwe bewoners een rustiger en meer verzorgd onderkomen aanbieden. Met andere woorden, het leek er sterk op dat Linkeroever een modelstad op vlak van ‘kwaliteit van het wonen’ moest worden. Dat het in deze periode met de huisvesting en stedenbouw in de oude stad maar pover was gesteld bewijst volgend citaat van de invloedrijke architect Huib Hoste:

 

“De huidige stad [binnenstad] is verpest, ongeneesbaar. (…) De toestand te Antwerpen is zodanig dat ingevolg de hygieniese en stedebouwkundige eisen de gesloopte volkswoningen der oude stad weinig of niet zouden kunnen vervangen worden door andere bebouwingen. Het oude stadsgedeelte roept om opene ruimten en groen”.

 

Deze oproep werd grotendeels genegeerd, er kwamen geen radicale doorsteken in de binnenstad, maar de opene ruimten en groen werden wel een halve kilometer naar het westen, op de nieuwe Linkeroever gerealiseerd.

 

Men was evenmin eensgezind over de graad van autonomie van de nieuwe stad. De meeste ontwerpers hadden een volledige autonome stad voor ogen. Toch zagen ook enkele urbanisten het gebied meer als een volwaardige stadswijk, voor de meeste voorzieningen afhankelijk van de moederstad. Het met een tweede prijs bekroonde ontwerp van de architecten Viret, Marmorat en Monnoyer bijvoorbeeld wou zoveel mogelijk de bestaande stad verbinden, niet met een nieuwe stad, maar met de uitbreiding van dezelfde stad op de linkeroever.