vroeger en nu

Huib Hoste

Hoste, Huib
Details
Geboortedatum 06021881
Geboorteplaats Brugge
Sterfdatum 18081957
Plaats van
overlijden
Hove
Beroep, opleiding of
typering
architect
Vestigingsplaats(en) Delft (Nedl.), Hove, Leiden (Nedl.), SintMichiels
(Brugge)
Links
Hoste, Huib (18811957)
Beschrijving
Huib Hoste is de belangrijkste Vlaamse vertegenwoordiger van de Moderne Beweging in België. Met zijn
realisaties en zijn talrijke geschriften leverde hij een verbeten strijd voor een progressieve architecturale cultuur.
Hoste was afkomstig uit een Brugs katholiek milieu en volgde als vrije leerling de leergangen van L. Cloquet aan
de universiteit van Gent. Hij werkte nadien in het atelier van Cloquet en werd door diens rationalistische visie
beïnvloed. Hostes vroege werken, zoals de SintJozefskliniek
(1910) in Brugge, situeren zich helemaal in de
neogotische traditie van zijn leermeester. Gaandeweg werd hij beïnvloed door het werk van Hendrik Petrus
Berlage. Voor de Eerste Wereldoorlog ondernam hij verschillende studiereizen naar Nederland en bij het
uitbreken van de oorlog week hij met zijn gezin naar Nederland uit. Tijdens die ballingschap verzorgde hij een
architectuurkroniek in De Telegraaf en kwam hij met verschillende leden van De Stijl in contact, onder andere
Rob van 't Hoff, Theo van Doesburg en Jan Wils. Hoewel Hoste van dan af de invloed van de Nederlandse avantgarde
onderging en zelfs een artikel in De Stijl publiceerde, weigerde hij, vanwege zijn katholieke overtuiging, het
manifest van de groep te ondertekenen. In de oorlogsjaren leerde hij de ook naar Nederland uitgeweken L. Van
der Swaelmen kennen, met wie hij in het Comité néerlandobelge
d'Art civique zetelde, een afdeling van L'Union
internationale des Villes waarbinnen de wederopbouw van het verwoeste België werd voorbereid. Met Van der
Swaelmen als stedenbouwkundige ontwierp Hoste het Belgische gedenkteken in Amersfoort (1917), de tuinwijk
Klein Rusland in Zelzate (1921) en een gedeelte van de tuinwijk Kapelleveld in SintLambrechtsWoluwe
(192326).
Met deze 'kubistische' ensembles introduceerde hij, ongeveer gelijktijdig met de Cité Moderne van V.
Bourgeois (192225),
de neoplastische vormentaal in België. Direct na de oorlog was Hoste betrokken bij de
oprichting van de Société des Urbanistes belges (de latere SBUAM) en was hij als redactielid aan het tijdschrift La
Cité verbonden. Samen met de schilder Jozef Peeters organiseerde hij in 1920 en 1922 de drie congressen
'Moderne Kunst' in Antwerpen en in Brugge; in diverse lezingen en publicaties wierp hij zich op tot een belangrijk
pleitzorger van de standaardisatie in de bouw. Niettemin waren zijn eerste naoorlogse werken vrij behoudsgezind.
In 1919 werd hij aangesteld als architect van de geteisterde gemeenten Geluveld, Geluwe en Zonnebeke, waar hij
de OnzeLieveVrouwekerk
(1920), de gemeenteschool (1920) en een huizenblok in de Roeselarestraat (1922)
bouwde. Hij brak pas volledig met het traditioneel idioom van die realisaties in de bovenvermelde tuinwijken. Zijn
radicale vormentaal bereikte een vroeg hoogtepunt in het huis van dokter De Beir in Knokke (1924, in 2000
gerestaureerd door GUS). Vanaf de tweede helft van de jaren 1920 legde Hoste zich, zoals de meeste modernisten,
noodgedwongen toe op de bouw van particuliere woningen voor een verlicht burgerpubliek. Het elementarisme
van de dokterswoonst in Knokke maakt geleidelijk plaats voor een complexe volumetrische aanpak. In de
woningen in Zele (1931), op de Tervurenlaan in SintPietersWoluwe
(1933 en 1935) en in Roeselare (1934)
combineerde de architect die aanpak met een centrifugale planopbouw en een ruimtelijke ontplooiing rond een
centraal trappenhuis. Hij manifesteerde zich hier als een aanhanger van de internationale stijl, maar zijn
modernisme bleef, ondanks het technische raffinement, altijd robuust en potig. Voor meerdere huizen ontwierp
Hoste tevens het interieur en het meubilair. Voor de prodcutie van zijn bijzonder geraffineerde buisstalen
meubelen richte hij de firma Hostemeubelen
op. Hoste toonde vanaf de jaren 1930 een toenemende interesse
voor stedenbouw. Samen met Le Corbusier, P. Otlet en architect Fé Loquet (18761942)
nam hij deel aan de
wedstrijd voor de aanleg van de Antwerpse Linkeroever. Later volgden een stedelijk saneringsplan voor de
rechteroever van Antwerpen (in samenwerking met R. Braem) en een wedstrijdontwerp voor de stationsomgeving
van Brugge (in samenwerking met P.A. Michel). In 1928 vroeg H. van de Velde hem het atelier architectuur te
leiden in het pas opgerichte instituut van La Cambre. Toen hij als architect verantwoordelijk wed gesteld voor een
bouwongeval waarbij een man om het leven kwam, was hij verplicht om enkel maanden later het instituut te
verlaten. Ondanks de steun van het docentencorps trok hij zich terug om de goede naam van de nieuwe instelling
niet te schaden, en werd er vervangen door J.J.
Eggericx. Niettemin bleef hij in Vlaanderen een voorvechter van
de modernistische ideeën. Samen met Otles en Bourgeois maakte Hoste deel uit van de Belgische delegatie op het
522016
Hoste, Huib Inventaris
Bouwkundig Erfgoed Inventaris
Onroerend Erfgoed
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/persoon/2834 2/14
de modernistische ideeën. Samen met Otles en Bourgeois maakte Hoste deel uit van de Belgische delegatie op het
eerste CIAMcongres
in La Sarraz. Hij stichtte toen het tijdschrift Opbouwen dat, als Vlaamse spreekbuis van
CIAM, een tegenhanger van het Brusselse 7Arts was. Ondanks zijn indrukwekkende carrière omvat Hostes latere
oeuvre geen grote opdrachten meer. Hij bleef wel actief als schrijver en richtte nog na de Tweede Wereldoorlog,
samen met de architectuurcriticus K.N. Elno, het tijdschrift Ruimte op.
(Bron: Strauven I. 2003: "Hoste, Huib", in: Van Loo, A. (red.) 2003: Repertorium van de architectuur in België
van 1830 tot heden, Antwerpen, 244245.)Hoste, Huib
Details
Geboortedatum 06021881
Geboorteplaats Brugge
Sterfdatum 18081957
Plaats van
overlijden
Hove
Beroep, opleiding of
typering
architect
Vestigingsplaats(en) Delft (Nedl.), Hove, Leiden (Nedl.), SintMichiels
(Brugge)
Links
Hoste, Huib (18811957)
Beschrijving
Huib Hoste is de belangrijkste Vlaamse vertegenwoordiger van de Moderne Beweging in België. Met zijn
realisaties en zijn talrijke geschriften leverde hij een verbeten strijd voor een progressieve architecturale cultuur.
Hoste was afkomstig uit een Brugs katholiek milieu en volgde als vrije leerling de leergangen van L. Cloquet aan
de universiteit van Gent. Hij werkte nadien in het atelier van Cloquet en werd door diens rationalistische visie
beïnvloed. Hostes vroege werken, zoals de SintJozefskliniek
(1910) in Brugge, situeren zich helemaal in de
neogotische traditie van zijn leermeester. Gaandeweg werd hij beïnvloed door het werk van Hendrik Petrus
Berlage. Voor de Eerste Wereldoorlog ondernam hij verschillende studiereizen naar Nederland en bij het
uitbreken van de oorlog week hij met zijn gezin naar Nederland uit. Tijdens die ballingschap verzorgde hij een
architectuurkroniek in De Telegraaf en kwam hij met verschillende leden van De Stijl in contact, onder andere
Rob van 't Hoff, Theo van Doesburg en Jan Wils. Hoewel Hoste van dan af de invloed van de Nederlandse avantgarde
onderging en zelfs een artikel in De Stijl publiceerde, weigerde hij, vanwege zijn katholieke overtuiging, het
manifest van de groep te ondertekenen. In de oorlogsjaren leerde hij de ook naar Nederland uitgeweken L. Van
der Swaelmen kennen, met wie hij in het Comité néerlandobelge
d'Art civique zetelde, een afdeling van L'Union
internationale des Villes waarbinnen de wederopbouw van het verwoeste België werd voorbereid. Met Van der
Swaelmen als stedenbouwkundige ontwierp Hoste het Belgische gedenkteken in Amersfoort (1917), de tuinwijk
Klein Rusland in Zelzate (1921) en een gedeelte van de tuinwijk Kapelleveld in SintLambrechtsWoluwe
(192326).
Met deze 'kubistische' ensembles introduceerde hij, ongeveer gelijktijdig met de Cité Moderne van V.
Bourgeois (192225),
de neoplastische vormentaal in België. Direct na de oorlog was Hoste betrokken bij de
oprichting van de Société des Urbanistes belges (de latere SBUAM) en was hij als redactielid aan het tijdschrift La
Cité verbonden. Samen met de schilder Jozef Peeters organiseerde hij in 1920 en 1922 de drie congressen
'Moderne Kunst' in Antwerpen en in Brugge; in diverse lezingen en publicaties wierp hij zich op tot een belangrijk
pleitzorger van de standaardisatie in de bouw. Niettemin waren zijn eerste naoorlogse werken vrij behoudsgezind.
In 1919 werd hij aangesteld als architect van de geteisterde gemeenten Geluveld, Geluwe en Zonnebeke, waar hij
de OnzeLieveVrouwekerk
(1920), de gemeenteschool (1920) en een huizenblok in de Roeselarestraat (1922)
bouwde. Hij brak pas volledig met het traditioneel idioom van die realisaties in de bovenvermelde tuinwijken. Zijn
radicale vormentaal bereikte een vroeg hoogtepunt in het huis van dokter De Beir in Knokke (1924, in 2000
gerestaureerd door GUS). Vanaf de tweede helft van de jaren 1920 legde Hoste zich, zoals de meeste modernisten,
noodgedwongen toe op de bouw van particuliere woningen voor een verlicht burgerpubliek. Het elementarisme
van de dokterswoonst in Knokke maakt geleidelijk plaats voor een complexe volumetrische aanpak. In de
woningen in Zele (1931), op de Tervurenlaan in SintPietersWoluwe
(1933 en 1935) en in Roeselare (1934)
combineerde de architect die aanpak met een centrifugale planopbouw en een ruimtelijke ontplooiing rond een
centraal trappenhuis. Hij manifesteerde zich hier als een aanhanger van de internationale stijl, maar zijn
modernisme bleef, ondanks het technische raffinement, altijd robuust en potig. Voor meerdere huizen ontwierp
Hoste tevens het interieur en het meubilair. Voor de prodcutie van zijn bijzonder geraffineerde buisstalen
meubelen richte hij de firma Hostemeubelen
op. Hoste toonde vanaf de jaren 1930 een toenemende interesse
voor stedenbouw. Samen met Le Corbusier, P. Otlet en architect Fé Loquet (18761942)
nam hij deel aan de
wedstrijd voor de aanleg van de Antwerpse Linkeroever. Later volgden een stedelijk saneringsplan voor de
rechteroever van Antwerpen (in samenwerking met R. Braem) en een wedstrijdontwerp voor de stationsomgeving
van Brugge (in samenwerking met P.A. Michel). In 1928 vroeg H. van de Velde hem het atelier architectuur te
leiden in het pas opgerichte instituut van La Cambre. Toen hij als architect verantwoordelijk wed gesteld voor een
bouwongeval waarbij een man om het leven kwam, was hij verplicht om enkel maanden later het instituut te
verlaten. Ondanks de steun van het docentencorps trok hij zich terug om de goede naam van de nieuwe instelling
niet te schaden, en werd er vervangen door J.J.
Eggericx. Niettemin bleef hij in Vlaanderen een voorvechter van
de modernistische ideeën. Samen met Otles en Bourgeois maakte Hoste deel uit van de Belgische delegatie op het
522016
Hoste, Huib Inventaris
Bouwkundig Erfgoed Inventaris
Onroerend Erfgoed
https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/persoon/2834 2/14
de modernistische ideeën. Samen met Otles en Bourgeois maakte Hoste deel uit van de Belgische delegatie op het
eerste CIAMcongres
in La Sarraz. Hij stichtte toen het tijdschrift Opbouwen dat, als Vlaamse spreekbuis van
CIAM, een tegenhanger van het Brusselse 7Arts was. Ondanks zijn indrukwekkende carrière omvat Hostes latere
oeuvre geen grote opdrachten meer. Hij bleef wel actief als schrijver en richtte nog na de Tweede Wereldoorlog,
samen met de architectuurcriticus K.N. Elno, het tijdschrift Ruimte op.
(Bron: Strauven I. 2003: "Hoste, Huib", in: Van Loo, A. (red.) 2003: Repertorium van de architectuur in België
van 1830 tot heden, Antwerpen, 244245.)

Geboortedatum 06021881

Geboorteplaats Brugge

Sterfdatum 1808 - 1957

Plaats van overlijden Hove

Architect

Vestigingsplaats(en) Delft (Nedl.), Hove, Leiden (Nedl.), SintMichiels(Brugge)

 

Huib Hoste is de belangrijkste Vlaamse vertegenwoordiger van de Moderne Beweging in België. Met zijn realisaties en zijn talrijke geschriften leverde hij een verbeten strijd voor een progressieve architecturale cultuur.

Hoste was afkomstig uit een Brugs katholiek milieu en volgde als vrije leerling de leergangen van L. Cloquet aan de universiteit van Gent. Hij werkte nadien in het atelier van Cloquet en werd door diens rationalistische visie beïnvloed. Hostes vroege werken, zoals de SintJozefskliniek (1910) in Brugge, situeren zich helemaal in de neogotische traditie van zijn leermeester. Gaandeweg werd hij beïnvloed door het werk van Hendrik Petrus Berlage. Voor de Eerste Wereldoorlog ondernam hij verschillende studiereizen naar Nederland en bij het uitbreken van de oorlog week hij met zijn gezin naar Nederland uit. Tijdens die ballingschap verzorgde hij een architectuurkroniek in De Telegraaf en kwam hij met verschillende leden van De Stijl in contact, onder andere Rob van 't Hoff, Theo van Doesburg en Jan Wils. Hoewel Hoste van dan af de invloed van de Nederlandse avantgarde onderging en zelfs een artikel in De Stijl publiceerde, weigerde hij, vanwege zijn katholieke overtuiging, het manifest van de groep te ondertekenen. In de oorlogsjaren leerde hij de ook naar Nederland uitgeweken L. Van der Swaelmen kennen, met wie hij in het Comité néerlandobelge d'Art civique zetelde, een afdeling van L'Union

internationale des Villes waarbinnen de wederopbouw van het verwoeste België werd voorbereid. Met Van der Swaelmen als stedenbouwkundige ontwierp Hoste het Belgische gedenkteken in Amersfoort (1917), de tuinwijk Klein Rusland in Zelzate (1921) en een gedeelte van de tuinwijk Kapelleveld in SintLambrechtsWoluwe (192326).

Met deze 'kubistische' ensembles introduceerde hij, ongeveer gelijktijdig met de Cité Moderne van V.Bourgeois (192225), de neoplastische vormentaal in België. Direct na de oorlog was Hoste betrokken bij de oprichting van de Société des Urbanistes belges (de latere SBUAM) en was hij als redactielid aan het tijdschrift La Cité verbonden. Samen met de schilder Jozef Peeters organiseerde hij in 1920 en 1922 de drie congressen'Moderne Kunst' in Antwerpen en in Brugge; in diverse lezingen en publicaties wierp hij zich op tot een belangrijk pleitzorger van de standaardisatie in de bouw. Niettemin waren zijn eerste naoorlogse werken vrij behoudsgezind.

In 1919 werd hij aangesteld als architect van de geteisterde gemeenten Geluveld, Geluwe en Zonnebeke, waar hij de OnzeLieveVrouwekerk (1920), de gemeenteschool (1920) en een huizenblok in de Roeselarestraat (1922) bouwde. Hij brak pas volledig met het traditioneel idioom van die realisaties in de bovenvermelde tuinwijken. Zijn radicale vormentaal bereikte een vroeg hoogtepunt in het huis van dokter De Beir in Knokke (1924, in 2000

gerestaureerd door GUS). Vanaf de tweede helft van de jaren 1920 legde Hoste zich, zoals de meeste modernisten,noodgedwongen toe op de bouw van particuliere woningen voor een verlicht burgerpubliek. Het elementarisme van de dokterswoonst in Knokke maakt geleidelijk plaats voor een complexe volumetrische aanpak. In de woningen in Zele (1931), op de Tervurenlaan in SintPieters Woluwe(1933 en 1935) en in Roeselare (1934) combineerde de architect die aanpak met een centrifugale planopbouw en een ruimtelijke ontplooiing rond een centraal trappenhuis. Hij manifesteerde zich hier als een aanhanger van de internationale stijl, maar zijn modernisme bleef, ondanks het technische raffinement, altijd robuust en potig. Voor meerdere huizen ontwierp

Hoste tevens het interieur en het meubilair. Voor de prodcutie van zijn bijzonder geraffineerde buisstalen meubelen richte hij de firma Hostemeubelen op. Hoste toonde vanaf de jaren 1930 een toenemende interesse voor stedenbouw. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Samen met Le Corbusier, P. Otlet en architect Fé Loquet (18761942) nam hij deel aan de wedstrijd voor de aanleg van de Antwerpse Linkeroever. Later volgden een stedelijk saneringsplan voor de rechteroever van Antwerpen (in samenwerking met R. Braem) en een wedstrijdontwerp voor de stationsomgeving van Brugge (in samenwerking met P.A. Michel). In 1928 vroeg H. van de Velde hem het atelier architectuur te leiden in het pas opgerichte instituut van La Cambre. Toen hij als architect verantwoordelijk wed gesteld voor een

bouwongeval waarbij een man om het leven kwam, was hij verplicht om enkel maanden later het instituut te verlaten. Ondanks de steun van het docentencorps trok hij zich terug om de goede naam van de nieuwe instelling niet te schaden, en werd er vervangen door J.J. Eggericx. Niettemin bleef hij in Vlaanderen een voorvechter van de modernistische ideeën. Samen met Otles en Bourgeois maakte Hoste deel uit van de Belgische delegatie op het eerste CIAM congres in La Sarraz. Hij stichtte toen het tijdschrift Opbouwen dat, als Vlaamse spreekbuis van CIAM, een tegenhanger van het Brusselse 7Arts was. Ondanks zijn indrukwekkende carrière omvat Hostes latere oeuvre geen grote opdrachten meer. Hij bleef wel actief als schrijver en richtte nog na de Tweede Wereldoorlog, samen met de architectuurcriticus K.N. Elno, het tijdschrift Ruimte op.

(Bron: Strauven I. 2003: "Hoste, Huib", in: Van Loo, A. (red.) 2003: Repertorium van de architectuur in België van 1830 tot heden, Antwerpen, 244245.)