vroeger en nu

Anton Van Duinkerken Bron Wikipedia

 

Wilhelmus Johannes Maria Antonius (Willem) Asselbergs, beter bekend onder zijn pseudoniem Anton van Duinkerken (Bergen op Zoom, 2 januari 1903 – Nijmegen, 27 juli 1968) was eenNederlandse dichter, essayist, hoogleraar, redenaar en literatuurhistoricus. In 1960 ontving hij de Constantijn Huygensprijs en zes jaar later de P.C. Hooft-prijs.

 

Brabander van inborst en Bourgondiër van levensstijl, verhuisde hij, na zich uit een priesteropleiding teruggetrokken te hebben, in 1929 naar Amsterdam, als redacteur van het dagblad De Tijd. Hij werd daar tevens de aanvoerder van de katholieke jongeren die zich verenigd hadden rond het letterkundig tijdschrift De Gemeenschap. Van Duinkerken werd in die tijd ook bekend door zijn pennenstrijd met Menno ter Braak over geloof en rede, alsmede door zijn radicale afwijzing van het nationaalsocialisme ('Ballade van den katholiek'). Evenals Simon Vestdijk en een aantal andere vooraanstaande Nederlanders die door de Duitse bezetter wegens hun invloed als gevaarlijk werden beschouwd, was hij gegijzeld in het kamp Sint-Michielsgestel. Hij verbleef er in 1942 bijna acht maanden. Na de oorlog hervatte hij zijn letterkundige en journalistieke arbeid. Vanaf 1952 tot aan zijn dood was hij hoogleraar Nederlandse Letterkunde aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. De manier waarop Van Duinkerken zijn laatste ziekbed verdroeg heeft volgens Michel van der Plas ('In de kou') op velen die hem bezochten indruk gemaakt, deels door zijn mildheid en religieus gefundeerd optimisme, deels ook door de afschuwelijke pijn die hij welbewust doorstond, onder andere ten overstaan van Jan Engelman.

Van Duinkerkens poëzie heeft een traditionele vorm, een soms vertellende, soms betogende, altijd inhoudelijk gedachtenrijke zo niet overladen stijl, met daaronder een sterke, warme, soms wat melancholische gevoelstoon. Zijn proza, dikwijls essayistisch van aard, kenmerkt zich door een krachtige retorische stijl, een zekere breedvoerigheid en buitengewone eruditie.

Van Duinkerken had als publicist maar ook als boeiend spreker en geestig improvisator een belangrijk aandeel in de definitieve emancipatie van het rooms-katholieke volksdeel in nederland; tevens speelde hij een grote rol in de toenemende culturele samenwerking van Nederland en Vlaanderen. Asselbergs studeerde aanvankelijk voor priester, doch wijdde zich weldra geheel aan literair werk. Hij werd in 1929 letterkundig redacteur van het dagblad De Tijd te Amsterdam, in 1937 doctor honoris causa van Leuven, in 1940 bijzonder hoogleraar in de Vondelwetenschap te Leiden en in 1952 gewoon hoogleraar in de letterkunde te Nijmegen. Door zijn veelzijdige begaafdheid en kritisch-polemische stijl behoorde Van Duinkerken al vroeg tot de leidende figuren van de rooms-katholieke jongerenbeweging rondom het maandblad De Gemeenschap. Toen sommige vrienden zich ontwikkelden in fascistische richting, koos hij onvoorwaardelijk voor de democratie. Tijdens de oorlog was hij enige maanden gijzelaar in St.-Michielsgestel.

Zijn zeer omvangrijk werk omvat gedichten, kritieken, essays, cultuurhistorische beschouwingen en literair-historische studies. In zijn poëzie, die uiteenloopt van verliefd tot hekelend, van vroom tot joviaal, spreekt zijn bewogenheid zich uit in eenvoudige vorm: Lyrisch labyrinth (1930; Hart van Brabant (1936). In zijn kritisch werk toetste hij binnen- en buitenlandse publicaties aan de normen van een ruim katholicisme: Twintig tijdgenooten (1934). In zijn essays verdedigde hij zijn christelijke waarden en waarheden tegen de aanvallen van vitalisme en onkerkelijk humanisme: Hedendaagse ketterijen (1929). In zijn cultuurhistorische beschouwingen toonde hij de grote geestelijke stromingen en samenhangen van de westerse cultuur: Verscheurde christenheid (1937). De naoorlogse situatie en zijn universitaire taak hebben het historiserend element in hem versterkt en de apologetische toon verminderd.