vroeger en nu

Beatrijs Bron Wikipedia

Beatrijs is een Middelnederlandse Maria-legende uit de veertiende eeuw. Het enige handschrift waarin de legende overgeleverd is, dateert van kort voor 1347 en wordt bewaard in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Omdat het oorspronkelijke werk geen titel had, geeft men aan het stuk meestal de naam van het hoofdpersonage, Beatrijs.

Beatrijs is een jonge kosteres in het klooster die haar habijt aflegt voor een jeugdliefde. Ze nodigt hem uit buiten de muren van het klooster, waar de geliefden elkaar ontmoeten onder de egelantier(van oudsher een symbool voor liefde). Ze vluchten samen weg en het geluk lijkt Beatrijs toe te lachen: ze krijgen twee kinderen en leiden een luxueus leven.

Maar na zeven jaren is het geld op. De geliefde gaat ervandoor en Beatrijs blijft alleen achter met haar kinderen. Omwille van haar adellijke afkomst is ze te trots om te bedelen. Dit zou binnen de stadsmuren moeten gebeuren, waar ze herkend zou kunnen worden. Daarom verkiest ze om haar lichaam te verkopen, wat meer in het geheim gebeurt, dit wil zeggen buiten de stadswallen. Na een tijdje beseft ze dat prostitutie een zonde is. Dit motiveert Beatrijs om haar trots opzij te zetten en toch te gaan bedelen. Door voor een zwerversbestaan te kiezen, hoeft ze zich niet te vernederen binnen haar eigen stad. Ondanks haar zondige leefwijze blijft Beatrijs Maria trouw door elk dag tot haar te bidden.

Bij toeval komt ze in de nabijheid van haar vroegere klooster. Ze vindt er onderdak bij een weduwe. Ze vraagt de vrouw naar de toestand in het klooster en ontdekt dat haar afwezigheid onopgemerkt is gebleven. Drie visioenen vertellen haar dat Maria veertien jaar lang haar gedaante aannam, haar habijt droeg en haar taken vervulde. Beatrijs krijgt opnieuw moed. Wanneer ze haar kinderen veilig kan achterlaten bij de weduwe, neemt ze haar taak in het klooster weer op. Bij de jaarlijkse visitatie van de abt gaat ze met haar zonden te biecht, en wordt ze vergeven. Dit op voorwaarde dat de abt haar verhaal mag doorvertellen, opdat anderen ervan kunnen leren. De abt neemt tevens de zorg voor de kinderen van Beatrijs op zich. Pas wanneer dat gebeurt, wordt zij in het stuk bij naam genoemd.

De Beatrijs is een voorbeeld van een Marialegende. In deze verhalen grijpt Maria in (meestal door middel van een mirakel) en kan de zonde van het hoofdpersonage uiteindelijk vergeven worden. Op deze manier verschaffen de verhalen de Middeleeuwers een morele scholing: hoe groot je zonde ook is, als je trouw blijft aan Maria, berouw toont en te biechten gaat, kan je zonde vergeven worden. Deze boodschap wordt ook letterlijk meegegeven aan het einde van het verhaal:

Symboliek

In de Beatrijs komt een aantal literaire conventies voor, waarvan de betekenis voor de middeleeuwse toehoorder duidelijk was, maar die voor hedendaagse lezers minder vanzelfsprekend zijn. Daarom de opvallendste hier op een rijtje:

Getallensymboliek

3: Beatrijs krijgt in een reeks van drie visioenen te horen dat ze haar taak in het klooster opnieuw moet opnemen. Twee visioenen waren niet genoeg: het getal 2 was immers het aardse getal, en hoorde aan de duivel toe; het getal 3 was goddelijk en behoorde bij de Heilige Drie-eenheid. Wanneer ze dus twee visioenen heeft gekregen, is ze nog niet zeker van de goddelijke oorsprong van haar opdracht. Het zou ook de duivel kunnen zijn, die haar om de tuin leidt. Het derde visioen maakt aan alle twijfel een einde en Beatrijs durft terug te gaan naar het klooster.

5 : De auteur wil Maria eren en beschrijft dit in vijf regels. Het getal 5 is voor de middeleeuwers verbonden met Maria vanwege de vijf letters in haar naam. Ook in het handschrift wordt dit benadrukt, doordat de gehistorieerde initiaal het symbool ‘V’ (het eerste vers luidt immers: Van dichten comt mi cleine bate) overeenkomt met het Romeinse cijfer V (5).

7 : In Bijbelse context heeft het getal 7, dat ook wel het heilige getal heet, de speciale waarde van een ‘grote periode’ meegekregen. Beatrijs’ belevenissen verlopen in cycli van zeven jaren. Eerst brengt ze zeven jaar door in het klooster. Haar wereldlijke leven loopt vervolgens zeven jaar goed en daarna zeven jaar slecht. Dit kan men vergelijken met het Bijbelverhaal over ‘de zeven vette en de zeven magere jaren’ (Genesis 41:25-31).

 

Kleurensymboliek

Blauw en wit : Beatrijs verlaat het klooster in haar witte onderkleed. Van haar minnaar krijgt ze een blauw kleed: dit is de kleurencombinatie waarmee Maria in de middeleeuwse voorstellingen vaak staat afgebeeld. Blauw is de kleur van de hemel en wit is de kleur van de reinheid. Ook de kleur rood is symbolisch in het verhaal en staat voor de liefde.

 

Plaats

Egelantier: De egelantier, waar Beatrijs en haar minnaar elkaar ontmoeten, symboliseert in de hoofse literatuur zowel de hemelse liefde van Maria als de aardse minne.

Locus amoenus  (letterlijk: "lieflijke plaats", hier op te vatten als ‘plaats voor het liefdesspel) (r.330): Zingende vogels en welriekende bloemen sieren het decor in het bos. Dit is het typische beeld dat in de hoofse minnelyriek bekendstaat als de ‘locus amoenus’. De minnaar vraagt hier aan Beatrijs om met hem het minnespel te spelen. Hoewel het verzoek niet ongepast is, weigert Beatrijs. Haar reactie komt niet voort uit preutsheid, maar de regel wil dat een dame van stand de liefde niet bedrijft in de open natuur.