vroeger en nu

Constantijn Huygens Bron Leiden University, Dutch language

Constantijn Huygens (1596-1687)

 
Constantijn Huygens was op vele punten een begaafd man. Toen hij in 1687 op 91-jarige leeftijd overleed, liet hij niet alleen vele kleine en grotere gedichten na, maar ook talloze brieven, vertalingen, tekeningen en composities (Huygens was een getalenteerd luitspeler).
    Al op jonge leeftijd komen zijn bijzondere talenten aan het licht. Vader Christiaan Huygens besteedt veel aandacht aan een goede opvoeding van zijn zoons Maurits en Constantijn. Voor alles wil hij voorkomen dat de jongens een afkeer van het leren zouden krijgen en daarom worden lessen en spel regelmatig afgewisseld. Het leerpakket omvat veel verschillende gebieden: de jongens leren talen (eerst Frans, de internationale voertaal, later Latijn en Grieks), muziek, rekenen, dansen en leren zich te gedragen zoals dat in voorname kringen gebruikelijk is, zodat ze nooit een gek figuur zullen slaan in hoog gezelschap. Later, op 33-jarige leeftijd, beschrijft Huygens zijn opvoeding uitgebreid in zijn eerste (Latijnse) autobiografie, die hij niet voltooit.
 
Constantijn Huygens (detail)
Jan Lievens  1628/29
Oil on panel, 99 x 84 cm. 
Rijksmuseum Amsterdam

    In 1616 gaat Constantijn samen met Maurits naar Leiden om daar te studeren aan de universiteit. Een jaar later sluit hij zijn studie af met een disputatie. Na zijn studie heeft hij aanvankelijk geen vaste betrekking. In het voorjaar van 1618 loopt hij een aantal weken stage bij Antonis de Hubert, een advocaat in Zierikzee. Zoals in zijn tijd gebruikelijk, gaat ook Constantijn Huygens op reis naar het buitenland om rond te kijken en ervaring op te doen. In 1618 gaat hij met een gezantschap mee naar Engeland, waar hij de zomer doorbrengt. Hij reist nog verschillende keren met gezantschappen naar het buitenland, in de functie van secretaris. Hij valt op door zijn buitengewone talenkennis, en legt tijdens de reizen belangrijke contacten.
    In deze tijd begint ook zijn letterkundige carrière. In 1619 ontmoet hij tijdens een bezoek aan Amsterdam Anna Roemersdochter en Hooft. Met Anna Roemersdochter wisselt hij gedichten uit. Later ontmoet hij ook andere leden van de Muiderkring. In 1621 publiceert hij zijn eerste grote dichtwerk: Batava Tempe, dat is ’t Voor-Hout van ’s Gravenhage. Hij stuurt een afschrift naar Jacob Cats, die hem aanmoedigt een tweede groot gedicht te schrijven. Ondertussen is Huygens alweer met een gezantschap naar Londen gereisd en daar (eind 1621) begint hij aan ‘t Costelick Mall, dat is opgedragen aan Cats. In 1625 verschijnt een verzamelbundel van zijn poëzie, getiteld Otia, ‘Ledige uren’ in het Nederlands. Hierin staan ook de Stedestemmen uit 1624. De naam geeft aan dat Huygens zijn poëzie als vrijetijdsbesteding beschouwt. Eveneens in 1625 vindt hij een vaste betrekking als secretaris of geheymschrijver van prins Frederik Hendrik, die na de dood van Maurits stadhouder is geworden. Hiermee treedt hij in de voetsporen van zijn vader, die in zijn tijd secretaris was van Willem de Zwijger.
    In 1627 trouwt hij met Susanna van Baerle. Hij begint aan Dagh-werck, een omvangrijk gedicht waarin hij een dag uit het leven van hem en zijn vrouw beschrijft. Het gedicht is aan Susanna, zijn Sterre, gericht, maar is nooit helemaal voltooid. Huygens is nog steeds dichter in zijn vrije tijd: het grootste deel van het jaar, van mei tot oktober, is hij op veldtocht. In de winter was hij gewoonlijk in Den Haag, waar hij zijn werkzaamheden voor de prins verrichtte.
    In 1634 begint de bouw van een nieuw huis voor de familie Huygens, in Den Haag vlakbij het Binnenhof. Hij komt er niet met zijn vrouw te wonen. In 1637, enkele weken na de geboorte van het vijfde kind, Susanna, overlijdt de moeder. Kort daarna betrekt Huygens, alleen, zijn nieuwe huis. Verdriet om de dood van zijn vrouw speelt hem parten: maandenlang zet hij geen letter op papier. Terug in Den Haag van een veldtocht, schrijft hij, onderaan het gereedgekomen deel van Dagh-werck, een beschrijving van de dood van Susanna. Dit geheel wordt in 1658 gepubliceerd in een uitgave van zijn verzamelde Nederlandse gedichten, de Korenbloemen.
    In maart 1647 overlijdt Frederik Hendrik, die altijd min of meer was opgetreden als Huygens’ beschermheer. Huygens blijft in dienst van Oranje, als secretaris van de nieuwe stadhouder, Willem II. Met de dood van Willem II in november 1650 breekt het eerste stadhouderloze tijdperk aan. Mary Stuart en Amalia, de moeder en grootmoeder van de pasgeboren prins Willem III, voeren strijd over de voogdij en Huygens kiest de kant van Amalia. In 1657 komt er een regeling tot stand. Hij werkt dan verder aan de voltooiing van Hofwijck. In het stadhouderloze tijdperk neemt zijn werk als secretaris minder tijd in beslag. Hij legt zich toe op zijn andere functie, die hij sinds 1630 bekleedt: die van voorzitter van de Domeinraad, die de bezittingen van de Oranjes beheert.
    De eerste uitgave van de verzamelde Nederlandse gedichten, de Korenbloemen, verschijnt in 1658. In 1672 verschijnt een tweede, vermeerderde druk. Dit is de laatste uitgave die bij zijn leven is verschenen. In 1677 voltooit Huygens zijn Latijnse autobiografie De vita propria sermonum inter liberos libri duo, ‘Twee boeken met gesprekken temidden van mijn kinderen over mijn leven.’ Op hoge leeftijd, nadat zijn oudste zoon met zijn gezin elders is gaan wonen, schrijft hij het laatste grote gedicht: Cluijs-werck. Hierin beschrijft hij zijn bezigheden in de laatste fase van zijn leven. Na zijn overlijden in 1687 werden zijn bezittingen verdeeld over zijn kinderen, en raakten langzamerhand versnipperd. Zijn belangrijkste nalatenschap, het omvangrijke literaire oeuvre, zijn vele brieven, zijn composities, is bewaard gebleven.
    Na Huygens dood werd door zijn bewonderaars een bundel met lijkdichten uitgegeven. Van zijn bibliotheek is een catalogus bewaard.

Grafschrift

Hier ligt een man in d’as,
Zo gierig al zijn leven:
Hij wou de geest nauw geven,
Omdat het géven was.