DE SCHELDE
Vul een subtitel in

Je bent hier: STARTPAGINA / PLEKJES /

De Loop van de Rivier

De Rupel mondt uit in Gent
De Rupel mondt uit in Gent

330.000 jaar geleden vloeide alle rivieren naar Gent, het laagste punt in Vlaanderen .De Schelde (uit Frankrijk) liep slechts tot in Gent waar ze samen met de Rupel, de Dender, de Durme, de Leie en de Kale-Durme, via de Vlaamse vallei ten noorden van Gent, naar de Noordzee vloeide.

De Hobokense doorbraak
De Hobokense doorbraak

Op het einde van de laatste ijstijd ( 15.000 ) hebben de rivieren belangrijke loopwijzigingen en veranderingen in hun rivierpatroon ondergaan. Het brede dal van de Vlaamse vallei ten noorden van Gent werd geleidelijk afgedamd door een 3 à 4 m hoge en 2 à 3 km brede, door de wind opgewaaide zandrug, die zich van Maldegem tot Stekene uitstrekte. Hierdoor boog eerst 12.000 jaar geleden de Rupel af in noordoostelijke richting en ging als eerste gebruik maken van het zogenaamde 'doorbraakdal van Hoboken" om zo een nieuwe weg te vinden via Antwerpen meer noordoostwaarts richting Nederland.

De monding via de Oosterschelde
De monding via de Oosterschelde

Nederland liep ook letterlijk onder water en stilaan vormde zich de Oosterschelde. Ongeveer 5000 jaar geleden liep de Oosterschelde zo diep Nederland binnen tot ze verbonden werd met de Schelde. De Schelde liep niet langer tot aan de Maas, maar vond een nieuwe weg via de Oosterschelde naar de zee. Tijdens deze periode waren er geen getijden op de Schelde ter hoogte van Antwerpen.

De doorbraak van de Honte
De doorbraak van de Honte

Later vormde zich de Westerschelde en deze drong ook dieper en dieper Nederland binnen. Rond de 10de eeuw was de Westeschelde slechts gescheiden door een klein stukje land van de Schelde. Dit stukje land ter hoogte van Doel werd "de Honte" genoemd.

Door grote stormvloeden midden de 10de eeuw werd deze laatste versmalling weggespoeld en de Schelde werd verbonden met de Westerschelde. De Schelde vond via de Westerschelde weer een nieuwe weg naar de zee. Vanaf de 12de eeuw begon de mens de oeversvan de Westerschelde te ontginnen voor de schapenteelt, de turfgraverij en nadien de landbouw. Hiervoor werden dijken gebouwd en ging een belangrijk deel van het overstromingsgebied van de Westerschelde verloren. Het water werd hoger opgestuwd tussen de dijken, eb en vloed drongen dieper door tot zelfs in Antwerpen. Vanaf de 15de eeuw werd Antwerpen regelmatig overspoeld. Alle ruien en vlieten traden geregeld buiten hun oevers.

Van Regenrivier tot Getijdenrivier

In een tijdspanne van enkele eeuwen onderging de rivier merkwaardige veranderingen, zowel wat de afmetingen,als wat de loop en het afvoerregime betreft. In de loop van de voorbije eeuwen verlegde de rvieruitmonding zich van de Maas via de Oosterschelde naar de Honte of Westerschelde, waarin ze tegenwoordig nog uitsluitend afwatert.


Bron:  I. Coen

De eeuwige Schelde Ontstaan en ontwikkeling van de Schelde

Schematisch kan men hierbij drie perioden onderscheiden:

  • een zuiver fluviale periode met seizoensgebonden afvoer in een bedding van bescheiden afmetingentijdens de zomer (zomerbed), en met grotere afvoerin een veel bredere bedding tijdens de winter,(winterbed). Deze periode eindigt te Antwerpen rond de 5de-6de eeuw.
  • een overgangsperiode naar tijregime, tussen de 6de en de 10de eeuw, waarbij het gemiddelde waterpeil steeg, het getij geleidelijk aan steeds verder en krachtiger in de rivier binnendrong en de groterestroomsnelheden de rivierbodem bestendigerodeerden.
  • de periode van uitgesproken tijregime vanaf de 10de eeuw, waarbij het getij steeds meer de bovenhandkreeg, de hoogwaterstanden verhoogden en de tijstromingen de rivierbedding steeds meer verruimden.

Het dwarsprofiel toont een smal zomerbed en veel breder winterbed. De gemiddelde diepten bedroegen zowat 4 meter. In het midden van de rivier was het wat dieper, een 5 tot 6 meter.

De Schelde vertoonde toen in de omgeving van Antwerpen een veel meer uitgesproken kronkelend verloop dan tegenwoordig.

Waar de zomerbedding gelegen was ter hoogte van Antwerpen is niet meer met zekerheid vast te stellen, maar dat de Schelde een volledig ander stromingspatroon vertoonde mag men gerust aannemen, waarbij het opsplitsen in twee of meer armen evenmin mag uitgesloten worden.

Een neolithische Scheldearm (of meer armen) vloeide misschien onder de 'hogere' oevers van Zwijndrecht door, De benaming Zwijndrecht wijst erop dat men daar de rivier(-armen) kon oversteken. Misschien lag er voor Antwerpen in die tijd ook slechts een zeer bescheiden rivierarm die alleen bij het sterker doordringen van het getij in de rivier tot de enige grote stroomgeul is uitgegroeid.

Het verleggen van een rivierarm in dergelijke omstandigheden is niet ongewoon. Er is een ander algemeen bekend voorbeeld aan te wijzen meer naar opwaarts toe, waar in de 13de eeuw de Scheldewateren de oude arm te Weert verlaten hebben ten voordele van het afwaartse gedeelte van de Durme. Te Antwerpen groeiden in de 5de-6de eeuw misschien de oude afwaartse beddingen van de Schijnsriviertjes en een rivierarm voor Antwerpen, uit tot hoofdarm, ten nadele van de geul voor Zwijndrecht, die geleidelijk dichtslibde.

Ooit lag Sint Anneke op de rechteroever


Neolithische Schelde
Neolithische Schelde

Tijdens de Romeinse tijd lag het Vlaams Hoofd op een eilandje.

Stilaan verzandde de Zwijndrechtse arm.

Schelde 9-de eeuw
Schelde 9-de eeuw
In het neoliticum lag het Vlaams Hoofd inderdaad op de heuvel, waarop de kathedraal gebouwd is (Hoogstraat). De Schelde boog af naar Burcht, waar nu Blokkersdijk is.

Zwijndrecht lag aan de linkeroever van de ondiepe Schelde. De Naam "drecht" is etimologisch verbonden met dreggen, of het Engelse "to Drag". Scheepjes moesten over de doorwaadbare getrokken worden

Romeinse Schelde
Romeinse Schelde







In de 9-de eeuw kreeg het Vlaams Hoofd zijn eigen plaats op de Linkeroever.

Het wassende water

als de ijskappen en gletsjers smelten

De vloed is de laatste 100 jaar flink toegenomen, en gaat nog steeds in stijgende lijn.

Dit is geen nieuw verschijnsel. De reden is dat wel.

In stormvloeden in de 15-de eeuw waren het rechtstreekse gevolg van het openbreken van de Westerschelde, en daardoor het uitdiepen van Scheldebedding. De bouw van dijken heeft dit nog bevorderd. Het was een "plaatselijk" fenomeen.
De huidige toename van de vloed is een wereldwijd gebeuren. Het wordt veroorzaakt door het smelten van het ijs op vasteland. Gedurende eeuwen heeft sneeuw en ijs zich opgestapelt in kilometers dikke lagen op de Zuipool en Groenland. Door de toegenomen gemiddelde temperatuur is dit ijs massaal gaan smelten, en zorgt voor een verhoging van het zeepeil.
Drijvend ijs bv. van de Noordpool , is niet mee schuldig aan deze toename, omdat het grootste volume reeds onder water zit. Het is wel een ecologische catastrofe voor alle wildleven op de Noordpool en omstreken (Canada, Rusland etc.)


De bevroren Schelde zal allicht verleden tijd zijn. Dit was in 1953.

Het Sigmaplan

Bron: Het Sigmaplan is een project van de Vlaamse overheid. Waterwegbeheerder De Vlaamse Waterweg nv coördineert het Sigmaplan en staat in voor het waterbeheer. Om de natuurdoelen te verwezenlijken, werkt De Vlaamse Waterweg nv nauw samen met Natuur en Bos.

Op Sint Anneke wordt het overstromingsgevaar geweerd door de dijken te verhogen en te verstevigen. Maar er wordt niet alleen geïnvesteerd in waterveiligheid, ook in waardevolle slikken en schorren.

Het hele gebied vanaf Sint Annabos tot de grens met Burcht wordt onder handen genomen, door het verhogen en verfraaien van dijken en aanleggen van getijdennatuur.

Sint-Annastrand, de  Galgenweel en het vogelbroedgebied Blokkersdijk krijgen nu een stevige opwaardering met een gestroomlijnd, maar afwisselend dijktracé dat bescherming biedt tegen overstromingen en tegelijk kansen geeft aan unieke natuur.

De werken aan de dijken gebeuren met bijzondere aandacht voor de slikken en schorren langs de Scheldeoever. Die getijdennatuur is het terrein van zeldzame planten en dieren, die we volgens Europese richtlijnen zo goed mogelijk beschermen. Bovendien vormen ze op Linkeroever een ideale verdedigingslijn: ze temperen de golfslag, waardoor de dijken minder druk ondervinden. Bij de werken trachten we de aaneengesloten strook slikken en schorren langs de oever niet te verstoren. Daarnaast veranderen we op bepaalde plaatsen de hellingsgraad van de oever, om te voorkomen dat de schorren afslijten.

Ga naar BOVEN, naar de STARTPAGINA